Zink in paardenvoer
Zink behoort tot de essentiële spoorelementen en is niet alleen nodig voor een intacte huid en gezonde hoeven. Omdat zink in onze inheemse grond en planten vaak in te lage hoeveelheden aanwezig is, moet aanvullend voer voldoende zink bevatten. Maar wat zijn eigenlijk de functies van zink en hoeveel zink heeft mijn paard nodig?
Waarvoor heeft mijn paard zink nodig?
Na ijzer behoort zink tot de hoogst geconcentreerde spoorelementen in het lichaam van een paard. Het is in verschillende delen van het lichaam in uiteenlopende concentraties aanwezig. De hoogste concentraties zijn te vinden in de spieren (60 % in de skeletspieren), maar ook in de alvleesklier, het hoefhoorn, in de huid en in de lever speelt dit spoorelement een belangrijke rol. Zoals in de inleiding reeds vermeld, is een optimale verzorging met zink essentieel voor de regeneratie van huid en slijmvliezen en tevens noodzakelijk voor de celvernieuwing. Bovendien is zink voor enzymatische processen binnen de koolhydraat-, vet- en eiwitstofwisseling en voor een probleemloze werking van het zenuwweefsel vereist. Ook voor de aanmaak van hormonen (insuline, groei- en geslachtshormonen), voor de vorming van keratine, het gezichtsvermogen en een gezonde immunologische reactie is zink samen met andere micronutriënten verantwoordelijk.
De vertering van zink
Paarden krijgen zink via het voer binnen. Het wordt vervolgens vooral via de dunne darm opgenomen. Het resorptiepercentage is niet altijd hetzelfde en afhankelijk van diverse factoren. Hierop heeft bijvoorbeeld de bindingsvorm van zink invloed. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de organische en anorganische vorm van zink. Spoorelementen die organisch en meestal aan aminozuren zijn gebonden, beschikken over een hogere biologische beschikbaarheid.
In het bloedplasma bindt zink zich aan het transporteiwit albumine en komt zo in de lever terecht. De lever geeft wederom tussen 30 en 40 % van de totale opgenomen hoeveelheid zink opnieuw aan het bloed af. In het bloed beschikken de rode bloedlichaampjes met 75 % tot 88 % over het hoogste zinkgehalte, een veel kleiner gedeelte bevindt zich in het bloedplasma en in de witte bloedlichaampjes slechts 3 % van het zink is terug te vinden in de bloedplaatjes.
Zink wordt niet alleen vooral in de darm opgenomen, maar ook via deze weg uitgescheiden, terwijl de uitscheiding via de nieren slechts gering is. Zink wordt tevens uitgescheiden via zweten, bloedingen, huid- en slijmvliesregeneratie, haar- en hoorngroei.
De zinkopname en -afgifte zijn onderhevig aan een homeostatisch regulatie. Dat wil zeggen dat er mechanismen zijn die het evenwicht tussen de opname en afgifte veiligstellen en zodoende de vereiste zinkconcentratie in het lichaam handhaven. De opname via de darm en de uitscheiding wordt door het lichaam dus aan de behoefte van het paard aangepast. Hoe werkt dit proces precies? Hoofdzakelijk wordt via de darmwand minder/meer zink opgenomen resp. minder/meer zink afgegeven. Naast dit eenvoudige proces zijn er echter nog andere mechanismen die bijdragen aan het "zink-evenwicht". Verlaging van de zinkuitscheiding via de nieren, verhoging van de zinkomzetting in het bloed en conservering van het vrijkomende zink uit de lichaamscellen. Deze mechanismen beginnen echter pas als de zinkschommelingen erg groot zijn resp. een zinkoverschot of -tekort lang aanhouden. In lever, nieren, alvleesklier en darm kan zink aan het zogenoemde metallothioneïne worden gebonden of hierdoor vrijkomen, afhankelijk van het feit of er te veel of te weinig zink in het organisme aanwezig is. Metallothioneïnen zijn transporteiwitten die de zinkconcentratie kunnen reguleren doordat meer of minder hiervan in de slijmvliescellen worden geproduceerd en deze het zink vervolgens aan zich binden of afgeven.
Hoeveel zink heeft een paard nodig?
De 'Gesellschaft für Ernährungsphysiologie' geeft 4 mg zink per metabolisch lichaamsgewicht (LG0,75) als advies voor paarden voor het onderhoudsmetabolisme aan. Dat komt overeen met een dagelijkse behoefte van 485 mg voor een paard met een lichaamsgewicht van 600 kg. Tijdens de dracht, lactatie, groei en bij een verhoogde activiteit luidt het advies zelfs 4,5 mg per kg LG0,75. Een paard van 600 kg dat dagelijks een uur of langer in alle gangsoorten werkt, moet dus 546 mg zink opnemen.
Het metabolisch lichaamsgewicht van paarden LW0.75
De behoefte aan energie, voedingsstoffen, mineralen, sporenelementen en vitaminen van paarden neemt niet lineair toe met het levend gewicht, omdat de stofwisselingsactiviteit samenhangt met de verhouding tussen het lichaamsoppervlak en het gewicht. Dit is bijvoorbeeld aan de warmteafgifte via de huid af te lezen. Met het metabolisch lichaamsgewicht wordt dus het stofwisselingsactieve deel van het lichaamsgewicht beschreven, waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de behoefte, omdat het paard bijvoorbeeld energie verbruikt.
Voorbeeld van de berekening van LW0.75 en de zinkbehoefte voor een onderhoudsstofwisseling:
Een paard van 600 kg heeft een lichaamsgewicht van 600 kg en daarmee een metabolisch lichaamsgewicht van 600 kg0.75, dus ca. 121 kg.
Het Duitse "Gesellschaft für Ernährungsphysiologie" adviseert 4 mg zink per kg metabolisch lichaamsgewicht, dat wil zeggen: 121 kg x 4 mg = 484 mg zink voor een paard van 600 kg voor een onderhoudsstofwisseling.
Voorbeeld van de berekening van LW0.75 en de zinkbehoefte voor een onderhoudsstofwisseling:
Een paard van 600 kg heeft een lichaamsgewicht van 600 kg en daarmee een metabolisch lichaamsgewicht van 600 kg0.75, dus ca. 121 kg.
Het Duitse "Gesellschaft für Ernährungsphysiologie" adviseert 4 mg zink per kg metabolisch lichaamsgewicht, dat wil zeggen: 121 kg x 4 mg = 484 mg zink voor een paard van 600 kg voor een onderhoudsstofwisseling.
Een inschatting van de status kan ook via het bloedplasma/bloedserum en/of een haaranalyse worden gemaakt. Een bloedonderzoek geeft een goed beeld van eventuele actuele zinktekorten, waarbij de haaranalyse veeleer informatie biedt over een langdurig gebrek. In het bloed wordt een referentiebereik van 40-170 µg/dl (6-26 µmol/l) voor een adequate verzorging met zink aangegeven. Er zijn echter onderzoeken die erop wijzen dat ook een bloedbeeld geen betrouwbare informatie over de zinkstatus biedt. Zo wordt gesteld dat stress de zinkconcentratie in het bloedplasma kan verlagen, terwijl er niet per se sprake hoeft te zijn van een zinktekort in het hele lichaam. Het zinkgehalte in het bloed schijnt ook per seizoen te schommelen, waarbij de hoogste zinkwaarden in de winter en de laagste in de zomer tijdens de weidetijd werden gemeten. De weidegang zou hiervoor een trigger kunnen zijn, omdat in sommige onderzoeken paarden die op de weide werden gehouden altijd een lagere zinkplasmaconcentratie vertoonden. Dit kon echter niet via alle uitgevoerde onderzoeken worden bevestigd. Ook ziekten hebben invloed op het zinkgehalte in het bloed. Zo werden zowel in het bloed van paarden met ernstig zomereczeem alsook in het bloed van paarden met koortsachtige infecties lage bloedzinkconcentraties aangetroffen.
Bovendien hebben verschillende via het voer opgenomen zinkverbindingen een uiteenlopende invloed op het bloedzinkgehalte. Zo kon in een onderzoek naar pony's voor zinksulfaat, zinkchelaat of zinklactaat een dosisafhankelijk effect op de bloedconcentraties worden vastgesteld, maar geen dosisafhankelijk effect voor zinkoxide. Dat ligt waarschijnlijk aan het feit dat zinkoxide slechter door het lichaam wordt opgenomen.
Een andere manier om de zinkopname te bepalen, is de beoordeling van fecesmonsters. In een uitgevoerde proef steeg de zinkafscheiding als het zinkgehalte in het opgenomen voer gestegen was. Fecesmonsters kunnen dus een goed alternatief zijn voor de voeranalyse om te kunnen beoordelen of het dier voldoende mineralen binnenkrijgt. Hier dient echter nog meer onderzoek te worden gedaan om de exacte relatie tussen opgenomen en uitgescheiden hoeveelheden te onderzoeken en te beoordelen.
Hoeveel zink zit in paardenvoer?
De verzorging met zink via het aanwezige gehalte in het basisvoer (hooi, kuilgras, stro, weidegras) is vaak ontoereikend, omdat het zinkgehalte in de grond in veel regio's te laag uitvalt. Vooral als paarden alleen op de weide staan, kan er sprake zijn van een gebrekkig zinkaanbod. Ook als paarden die 24/7 op de weide stonden volgens onderzoek permanent te weinig zink binnenkregen, verschilden de exacte zinkconcentraties duidelijk van elkaar. Een mogelijke reden kan het schommelende, locatieafhankelijke zinkgehalte in de grassen, kruiden en leguminosen zijn, de invloed van het vegetatiestadium en een eventuele daling van de spoorelementconcentratie door hevige regenval. Niet alleen in weidegras is het zinkgehalte zeer variabel, maar ook in ander basisvoer. Het gemiddelde zinkgehalte in de grond kent een grote marge tussen 10 mg/kg tot 80 mg/kg. De verschillende waarden zijn regioafhankelijk. Voor een adequate verzorging met zink op de weide moet het zinkgehalte minimaal 35 mg/kg droge stof bedragen. Bij hooi werd in de jaren 70 gerekend met 28 mg zink per kg hooi, tegenwoordig ligt de waarde met 22 mg duidelijk lager. Om de behoefte aan zink af te dekken, moet minimaal 40 mg/kg droge stof opgenomen zijn.
Over het algemeen is een verzorging met een zinkhoudend mineraalvoeder in elk geval zinvol. Door de hoge maandelijkse schommelingen is er echter geen ideale samenstelling en kan de behoefte van het paard alleen worden benaderd.
Een relatief veilige beoordeling van de individuele toevoer van zink is via een analyse van de voedermiddelen mogelijk die het paard elke dag opneemt. Er zijn ook voedermiddelen resp. afzonderlijke ingrediënten die de beschikbaarheid van zink en de zinkopname kunnen verlagen als ze in zeer grote hoeveelheden worden aangeboden. Daartoe behoren calcium, koper en fytase die bijvoorbeeld in granen en biergist zitten.
Wettelijk is een toegestaan maximaal zinkgehalte voor voedermiddelen vastgelegd, zodat het paard niet chronisch te veel zink binnenkrijgt. Dit gehalte bedraagt 150 mg zink per kg compleet voer resp. per kg droge stof van het totale dagrantsoen. Als zinkverbinding in voeder is zinkoxide wijdverbreid, maar minder effectief dan zinkchloride of -sulfaat.
Zinktekort
Gevolgen van een zinktekort zijn aan de buitenkant zelden zichtbaar. Een tekort kan via een zogenoemde parakeratose tot uiting komen. Hierbij verdikt de huid en ontstaan er schorsachtige afzettingen. Tegelijkertijd heeft het paard last van haaruitval en een verhoogde kans op infecties. Bovendien kan de wondgenezing minder snel verlopen. Men gaat ervan uit dat een slechte verzorging met zink vermoedelijk ook verantwoordelijk kan zijn voor een slecht hoefhoorn.
Een tekort aan zink kan al bij ongeboren veulens tot een verstoring van de skeletontwikkeling leiden. Ook een verhoogde kans op infecties, groeistoornissen en een verstoorde ontwikkeling van de ledematen kunnen door een zinktekort worden veroorzaakt. Bijzonder kritisch bij veulens is de tijd rond de derde en vierde maand, voordat in de vijfde maand een intensieve groeispurt begint. In principe is een op de behoeften afgestemde verzorging met alle micronutriënten in de groei van essentieel belang voor een optimale mineralisatie van het skelet.
Zinkoverschot en kan te veel zink giftig zijn?
Paarden kunnen een te veel aan zink goed aan: (concentraties tot 500 mg/kg droge stof zijn onproblematisch). Zink kan dus in principe zonder risico als supplement worden toegediend als een zinktekort nog niet is bevestigd. Het overtollige zink wordt uitgescheiden en hoopt zich niet in het weefsel op. Toch moet je ook bij zink een langdurig extreem overaanbod voorkomen, omdat leverschade niet kan worden uitgesloten als het paard chronisch te veel zink binnenkrijgt.
In verband met een overaanbod aan zink moet ook rekening worden gehouden met de wisselwerkingen tussen de spoorelementen onderling. Zo kan een zeer hoge zinkopname de koperverwerking beïnvloeden. Wees vooral bij drachtige merries voorzichtig: een overaanbod aan zink zou tot een verhoogde zinkopslag in de lever van het veulen kunnen leiden. In verband met de groei van veulen en jong paard zijn er bovendien eerste aanwijzingen dat er mogelijk een relatie bestaat tussen ontwikkelingsgerelateerde orthopedische aandoeningen/osteochondrose en een chronisch overaanbod van zink.
Ben je naast zink nog in andere micronutriënten geïnteresseerd? Lees dan ons artikel De wereld van de micronutriënten | agrobs.de.
Janina Beule, M.Sc. Pferdewissenschaften
September 2023, © AGROBS GmbH
September 2023, © AGROBS GmbH
Bronnen
Bender, I. (2009): Praxishandbuch Pferdefütterung. Franckh-Kosmos Verlags-GmbH & Co. KG, Stuttgart
Coenen, M.; Vervuert, I. (2020): Pferdefütterung. Georg Thieme Verlag KG, Stuttgart
Finkler-Schade, C. (2007): Das Saugfohlen – Wachstum und Ernährung. In: Pferdeheilkunde 23 (2007) 6 (November/Dezember) 569-576.
Frape, D. (2010): Equine Nutrition and Feeding. Wiley-Blackwell
Gabe., A.; Männer, K. (2005): Kann reine Weidehaltung eine adäquate Mineralstoff- und Vitaminversorgung garantieren? In: Pferdeheilkunde 21 (2005) 2 (März/April) 124-130.
Geor, R.J.; Harris, P.A.; Coenen, M. (2013): Equine Applied and Clinical Nutrition: Health, Welfare and Performance. Saunders Elsevier
Hanauska, T. (2019): Untersuchung der Mineralstoffversorgung von Pferden durch die Analyse von Blutserum in einem Pensionsstall in Baden-Württemberg. URL: https://repo.bibliothek.uni-halle.de/bitstream/1981185920/25544/1/Bachelorarbeit%20Teresa%20Hanauska.pdf
Kamphues, J.; Coenen, M.; Eider, K.; Iben, C.; Kienzle E.; Liesegang, A.; Männer, K.; Wolf, P.; Zebeli, Q.; Zentek, J. (2014): Supplemente zur Tierernährung: für Studium und Praxis. Schlütersche, Hannover
Kreyenberg, K. (2003): Zinkserumresponse beim Pferd nach oraler Verabreichung von unterschiedlichen Zinkverbindungen. URL: https://edoc.ub.uni-muenchen.de/1868/1/Kreyenberg_Kathrin.pdf
Mainzer, B. (2009): Strontium-, Barium-, Cadmium-, Kupfer-, Zink-, Mangan-, Chrom- und Antimonkonzentrationen in Leber, Nierenrinde und Nierenmark der Spezies Katze, Hund und Pferd in Abhängigkeit von Alter und Geschlecht. URL: https://refubium.fu-berlin.de/bitstream/handle/fub188/11018/Mainzer_%28Barbara%29.pdf?sequence=1&isAllowed=y
Vervuert, I. (2015): Wie gut reflektieren die Kupfer-, Zink- und Selengehalte im Blut die entsprechende Versorgung beim Pferd? In: Rackwitz, R.; Pees, M.; Aschenbach, J.R.; Gäbel, G.: LBH: 8. Leipziger Tierärztekongress – Tagungsband 2. URL: https://core.ac.uk/download/pdf/226141316.pdf#page=117
Staufenbiel, L.; Müller, A.-E.; Gehlen, H. (2022): Methodische Untersuchungen zur Variation der Mengen- und Spurenelementkonzentrationen in Pferdekotproben im Tagesverlauf und über einen 15-Tages-Zeitraum. In: Berliner und Münchener Tierärztliche Wochenschrift 2022 (135). URL: https://refubium.fu-berlin.de/bitstream/handle/fub188/36449/BMTW-2022 5_Staufenbiel.pdf?sequence=1&isAllowed=y